Het jeugdwelzijnswerk in cijfers

Omvang van de organisatie

Bijna drie kwart van de werkingen (72%) werkt met zowel beroepskrachten als vrijwilligers. Grotere werkingen vaker met beide. Slechts een kleine minderheid werkt enkel met beroepskrachten (13%) of enkel met vrijwilligers (15%). Kleine en lokale werkingen doen het wel vaker met uitsluitend vrijwilligers.

Gemiddeld vinden we per werking 6 beroepskrachten of 5 voltijds equivalenten, en 25 vrijwilligers. De helft heeft 3 beroepskrachten (of 3 voltijdse equivalenten) of minder, drie kwart heeft 10 beroepskrachten (of 8 voltijdse equivalenten) of minder. De helft van de werkingen heeft 9 vrijwilligers of minder, drie kwart heeft 30 vrijwilligers of minder. 

Beroepskrachten

Beroepskrachten staan voornamelijk in voor het ondersteunen van jongeren, kinderen en vrijwilligers, het begeleiden van activiteiten en ateliers en het organiseren van vormingswerk en administratie. Coördinatoren of leidinggevenden vallen niet onder de categorie beroepskracht. Maar soms is er wel een overlap. Hoe kleiner de organisatie, hoe vaker de jeugdwerkers ook coördinerende taken op zich nemen. 

Takenpakket

Beroepskrachten zijn bijna een derde van hun werkuren bezig met het plannen en uitvoeren van de activiteiten en het vrije tijdsaanbod. Daarbij is er een verschil tussen DG en NDG: de laatste spendeert wat minder tijd (30%) aan deze functie dan de eerste (37%). 17% van de tijd wordt gespendeerd aan het coördineren van de werking, voor DG is dat minder (9.7% van de werkuren) dan voor NDG (18.4%). 

Takenpakket DG

Takenpakket NDG


Er tekent zich ook nog een klein verschil af in de tijd die de jeugdwerkers spenderen aan inhoudelijke ondersteuning (9.5% voor NDG en 6% voor DG), met een gemiddelde van 8.7%.  Welzijnsgericht werken neemt 10.9 % van de beschikbare tijd in, voor DG gaat het over 14%, voor NDG over 9.9% van de werkuren. Het signaleren en de belangenbehartiging neemt ongeveer 8% van de tijd met een lichte voorsprong van DG. Tot slot spenderen de jeugdwerkers gemiddeld 8.6% aan logistieke en administratieve ondersteuning. 

Groepsgrootte
de som van het aantal beroepskrachten, vrijwilligers en jongeren
Kleine werking = 0 tot 78 personen
Middelgrote werking =  78 tot 277 personen
Grote werking = 277 tot 1050 personen)

Type organisaties in het jeugdwerk 

  • Klein: 14.5%    (NDG: 17.3% en DG 5.1%)
  • Middel: 31.9%    (NDG: 35.4% en DG: 20.5%) 
  • Groot: 53.6%     (NDG: 47.2% en DG 74.4%) 

De helft van de werkingen in onze selectie zijn grote werkingen. Naargelang de grootte van de werking zijn er meer doelgroepmedewerkers tewerkgesteld. 

 

Professionalisering

  • Zwak geprofessionaliseerd (1 – 3 beroepskrachten) : 27.7% (NDG: 33.1% en DG: 10.3%)
  • Sterk geprofessionaliseerd (meer dan 3 beroepskrachten): 72.3% (NDG: 66.9% en DG: 89.7%)

Twee derde van de werkingen zijn sterk geprofessionaliseerd (vanaf 3 beroepskrachten), waar doelgroepwerknemers het merendeel van het team uitmaken. 

 

Landelijk versus lokaal

  • Landelijk (lokale of bovenlokale werkingen van landelijk jeugdwerk): 3%  (DG: 0%) 
  • Lokaal (in steden en gemeenten): 97%     (DG: 100%)

De selectie naar het ledenbestand van Uit De Marge vzw betreft zo goed als volledig lokale werkingen, waar het gros (dicht bij 100%) van alle beroepskrachten in de sector werken. In landelijke werkingen zijn geen doelgroepmedewerkers tewerkgesteld. 

 

Financiering

Inkomstenbronnen

Verdeling budgetten

Gemiddeld de helft van het budget is afkomstig van de gemeente of stad, die de meest structurele doelen financieren. Ruim een kwart komt van de Vlaamse overheid of één van haar afdelingen, een tiende van de federale overheid. De rest wordt gevoed vanuit Europa (0.9%), de provincie (2.7%) en andere bronnen (5.6%). 

Besteding van de middelen

De grootste hap uit het budget, meer dan de helft, gaat naar betaalde jeugdwerkers. Ongeveer een kwart gaat naar werkingsmiddelen. Voor infrastructuur en vorming is een stuk minder budget weggelegd, respectievelijk een tiende en 5% van het budget. 

 


Profiel van de medewerkers

Man/Vrouw

Totaal: 51.3% man & 48.7% vrouw
Met significant verschil tussen DG en NDG
NDG: 43.4 % man en 56.6% vrouw
DG : 73.1% man en 26.9 % vrouw


e verhouding tussen mannen en vrouwen op de werkvloer is evenwichtig. Doelgroepmedewerkers zijn vaker mannen. 

 

Leeftijd en anciënniteit

De gemiddelde beroepskracht is 32 jaar, waarbij de leeftijden vooral schommelen tussen 23 en 36 jaar. Men stroomt in op een leeftijd tussen 18 en 27 jaar. De anciënniteit is sterk gevarieerd, tussen 1 en 15 jaar, met een gemiddelde van 9 jaar. Bijna 50% van de jeugdwerkers heeft een anciënniteit van 1 tot 6 jaar, wat duidt op het verloop in de sector. Daarbij zijn het vooral de jonge werknemers (tussen 18 en 25 jaar) die snel uitstromen. De grote en sterk geprofessionaliseerde werkingen hebben te maken met een hoger verloop .Algemeen genomen ziet men zichzelf deze job tot in zijn 40-er jaren doen. De doelgroepmedewerker schat dit ruimer in en denkt er tot vandaag minder aan om te stoppen. 

De voornaamste redenen van vertrek zijn de arbeidsvoorwaarden (avond- en weekendwerk, onregelmatige uren, combinatie werk en privéleven) en de beperkte doorgroeimogelijkheden. Andere redenen voor vertrek: een interessantere jobinhoud bij een andere organisatie, ontevredenheid over verloning,  teleurgesteld over de resultaten van het werk of ontevredenheid met de leidinggevende. 

Op het vlak van leeftijd is er geen verschil tussen DG en NDG
NDG: gemiddeld 32.4 jaar
DG: gemiddeld 31.6 jaar

Ook op het vlak van anciënniteit is er weinig verschil tussen DG en NDG. Het aantal dienstjaren bij de jeugdwerkers schommelt vooral tussen 1 en 15 jaar. Bijna de helft heeft1 tot 6 jaar annciënniteit.

NDG: gemiddeld 9.2 jaar
DG: gemiddeld 8.6 jaar

Leeftijd waarop men denkt te stoppen als beroepskracht? 
DG: 44 jaar
NDG: 38 jaar

Stoppen: hoe veel jaar denk je dit nog te doen? 
NDG: 7
DG: 14

Heb je er al eens aan gedacht om van job te veranderen? 
NDG: 34.7% neen en 65.3% ja
DG: 57.8% neen en 42.2% ja

Etnisch- culturele achtergrond

39% van de beroepskrachten is van niet-Belgische afkomst, teruggaand op drie generaties. 

Afkomstig uit de buurt of wijk waar de werking gelegen is? 

Totaal: 28.5% ja en 71.5% neen
Significant verschil tussen DG en NDG:
NDG: 20.1% ja en 79.9% neen
DG: 53.1% ja en 46.9% neen

Veel beroepskrachten werken in dezelfde wijk waar ze wonen. Bij doelgroepmedewerkers komt het neer op de helft van de jeugdwerkers, bij niet-doelgroepmedewerkers op een vierde.

Religie en geloof

  • Katholiek: 8.5%         (NDG: 8.1% en DG 9.8%)
  • Protestants: 0.6%    (NDG: 0.8% en DG: 0%)
  • Christelijk: 7.9%     (NDG:10.6% en DG: 0%)
  • Islamitisch religieus: 24.4%  (NDG: 8.9% en DG 70.7%) 
  • Boeddhistisch: 1.2%     (NDG: 1.6% en DG: 0%)
  • Vrijzinnig: 16.5%      (NDG: 19.5% en DG: 7.3%)
  • Agnost: 3.7%          (NDG: 4.9% en DG: 0%) 
  • Iemand die zich niet voor religie interesseert: 2.4% (NDG: 2.4% en DG: 2.4%) 
  • Niet gelovig: 26.2%     (NDG: 33.3% en DG: 4.9%) 
  • Weet het niet: 4.9%      (NDG: 6.5% en DG: 0 %) 
  • Andere: 3.7%         (NDG: 3.3%  en DG: 4.9%) 

Religie Doelgroep

Religie Niet Doelgroep

Religie is bij niet-doelgroepmedewerkers uiteenlopend en gevarieerd. De grootste ‘eenduidige’ groep (1/3) beschouwt zichzelf als niet gelovig. Ongeveer twee derde van de doelgroepmedewerkers beschouwt zichzelf als islamitisch religieus.

Ik hou mijn religieuze en/of ideologische overtuigingen strikt gescheiden van mijn werk: 
NDG: 3,2/5
DG: 3,4/5

Wat ik in mijn job ervaar botst soms met mijn religieuze en / of ideologische overtuigingen: Geen verschil tussen NDG en DG: 2,4/5

Er zijn geen significante verschillen tussen DG en NDG betreft de beleving van het geloof op het werk. Een strikte scheiding vindt en ervaart men echter niet. De job botst wel eens met eigen religieuze of ideologische overtuigingen.

Opleiding

De meerderheid van de beroepskrachten (62%) heeft een diploma hoger of universitair onderwijs op zak, de meesten daarvan behaalden een bachelor buiten het hoger onderwijs (vooral sociaal-cultureel werk of orthopedagogie). 24% heeft een diploma TSO of BSO (vb. opvoeder) en 8% heeft een diploma ASO. Een groep van ongeveer 4 % heeft geen diploma of getuigschrift behaald.

Er zijn meer hooggeschoolde beroepskrachten in landelijk georganiseerde werkingen (ten opzichte van lokale werkingen), in kleine en middelgrote werkingen (ten opzichte van grote werkingen), in zwak (ten opzichte van sterk) geprofessionaliseerde werkingen, en onder de vrouwen.

Verleden in het jeugdwerk

Bijna een vierde (23%) van de beroepskrachten is zelf nog deelnemende jongere geweest in een werking voor maatschappelijk kwetsbare jeugd. 15 % nam deel aan de huidige werking, 12 % participeerde in een andere werking gericht op dezelfde doelgroep. 70% nam deel aan een andere jeugdwerking (zoals een jeugdbeweging, een jeugdhuis of een speelpleinwerking). Verder is bijna drie vierde (71%) van de beroepskrachten nog vrijwilliger geweest in het jeugdwerk. Ruim 37% is organiserend lid van een andere vereniging.

De ambities om leidinggevende te worden zijn verdeeld: een derde antwoordt positief. Daarbij is er een verschil tussen DG en NDG. Er zijn bijna dubbel zo veel NDG die leidinggevende taken op zich nemen, maar de ambities bij DG werknemers om leidinggevende te worden liggen hoger.  

Deelnemer geweest van deze werking? 
Totaal: 15.2% ja & 84.8% neen
Significant verschil tussen DG en NDG :
NDG: 4.3% ja en 95.7% neen
DG: 48.9% ja en 51.1% neen

Deelnemer geweest van een andere werking voor maatschappelijk kwetsbare jeugd? 
Totaal: 12.1% ja en 87.9% neen
Significant verschil tussen DG en NDG :
NDG: 7.4% ja en 92.6% neen
DG: 28.9% ja en 71.1% neen

Deelnemer geweest van deze of andere werking voor maatschappelijk kwetsbare jeugd?
Totaal: 23.1% ja en 76.9% neen
Significant verschil tussen DG en NDG:  
NDG: 10.1% ja en 89.9% neen
DG: 61.7% ja en 38.3% neen

Deelnemer geweest van een andere jeugdwerking? 
Totaal: 69.4% ja en 30.6% neen
Geen significant verschil tussen DG en NDG: 
NDG: 70.1% ja en 29.9% neen
DG: 66.7% ja en 33.3% neen

70% is lid geweest van een andere jeugdwerking; zonder verschil tussen DG en NDG

Ben je zelf nog vrijwilliger geweest in het jeugdwerk? 
Totaal: 71.5% ja en 28.5% neen
Geen significant verschil tussen DG en NDG:     
NDG: 70.1% ja en 29.9% neen
DG: 75.5% ja en 24.5% neen

Ben je organiserend lid van een andere vereniging (bestuurslid, leiding, vrijwilliger)? 

Totaal: 37.3% ja en 62.7% neen
Geen significant verschil tussen DG en NDG

Zou je zelf ooit leidinggevende willen worden van deze organisatie? 
Totaal: 31.3% ja en 33.7% neen en 34.8% is al leidinggevende

Grens significantie tussen DG en NDG:    
NDG: 28.1% ja en 32.4% neen en 39.6% is al leidinggevende
DG: 41.7% ja en 37.5% neen en 20.8% is al leidinggevende

Arbeidsstatuut

Het grootste deel van de beroepskrachten (53.8%) is tewerkgesteld via een regulier contract. Dat geldt vaker voor NDG werknemers. 15.2% werd aangeworven met een Gesco-contract, daar gaat het vaker om doelgroepmedewerkers. De andere beroepskrachten zijn versnipperd over de resterende categorieën (Vb. stadsstatuten, invoegcontract, ex –DAC, Activa, Sociale Maribel, Sine, Artikel 60, andere).

Een kwart van de werknemers werkt halftijds of minder, de meesten aldus voltijds. 93% van de beroepskrachten geeft aan een contract van onbepaalde duur te hebben.

Onder welk arbeidsstatuut ben je hier tewerkgesteld?

  • Andere: 4.9%            (NDG: 4.3%, DG 6.5 %)
  • Regulier contract: 53.8%   (NDG: 62.3% en DG: 28.3%)
  • Ex DAC: 4.9%             (NDG: 2.9% en DG 10.9%)
  • Invoegcontract: 4.3%         (NDG: 2.9% en DG 8.7%)
  • Sociale maribel: 2.2%         (NDG: 1.4% en DG 4.3%)
  • Gesco: 15.2%             (NDG: 13% en DG: 21.7%)
  • Sine: 0.5%             (NDG: 0% en DG2.2%)
  • Statuut via VECO middelen: 0.5% (NDG: 0.7% en DG: 0%)
  • Stadsstatuut: 6%         (NDG: 7.2% en DG: 2.2%)
  • Artikel 60: 0.5%         (NDG: 0.7% en DG: 0%)
  • Ik weet het niet : 7.1%         (NDG: 4.3% en DG 15.2%)

 

Is je contract van bepaalde of onbepaalde duur? 
Totaal: bepaalde duur: 7% en onbepaalde duur 93%

Geen significant verschil tussen DG en NDG
NDG: bepaalde duur 7.2% en onbepaalde duur 92.8%
DG: bepaalde duur 6.4% en onbepaalde duur 93.6%


Coaching en vorming
Geen opvallend verschil tussen DG en NDG
Vormingen, trainingen, opleidingen en intervisie: sterk aanbod
Begeleiding: informeel overleg gebeurt het meest

Volgde je vormingen of cursussen in functie van de job? 
NDG: 76.6% ja
DG: 71.2 % Ja

Krijg je loopbaanbegeleiding of coaching vanuit je organisatie? 
NDG: 42.8% ja en 38.6 % neen
DG: 55.8% ja en 21.2 neen

Heb je op regelmatige basis intervisiegesprekken vanuit je organisatie? 
NDG: 55.2% ja en 29.7% neen
DG: 67.3% ja en 11.5% neen

Heb je op regelmatige basis functionerings- of evaluatiegesprekken met je leidinggevende? 
NDG:  62.8% ja en 21.4% neen
DG: 67.3% ja en 7.7% neen

Heb je op regelmatige basis werkoverleg en/of besprekingen?
NDG: 70.3% ja
DG: 73.1% ja

 

Beleving van de job
Hoge gemiddelden (scores op 5) wijzen op een positieve beleving. Er weinig opvallende verschillen tussen DG en NDG (eerste iets hogere scores dan laatsten).

Motivatie voor de job: Vooral in functie van de doelgroep en persoonlijke ontwikkeling. DG iets hogere tevredenheid dan NDG (maar geen grote verschillen)

Gemiddeld 4/5 : goede sfeer in de groep, ik leer mijn sterke en zwakke kanten kennen, meewerken aan opvoeding van de jongeren, ik voel me hier thuis, zinvolle rol in samenleving, nieuwe vaardigheden leren die nuttig zijn voor later, persoonlijke ontwikkeling, inzetten voor anderen, goede relatie met de jongeren.
3 - 4/5: appreciatie uit omgeving, hoge waardering voor organisatie in de samenleving, sociale contacten in de werking.
2 - 3/5: een gerespecteerde positie in de samenleving, een vast inkomen.

 

Tevredenheid over de job
Overwegend hoge tevredenheid. Geen opmerkelijk verschil tussen DG en NDG

Gemiddeld 4/5: Fascinerend, geeft voldoening, creatief, wordt gerespecteerd, prettig, nuttig, uitdagend
3-4/5: wordt gerespecteerd, houdt nooit op, geeft gevoel van bekwaamheid
3/5: vermoeiend, zenuwslopend, gezond
1-2/5: routine, vervelend, irriterend, frustrerend, te eenvoudig

Organisatiecultuur
De jeugdwerkers ervaren een positief klimaat. DG schatten het klimaat iets positiever in dan NDG, maar opnieuw geen grote verschillen.

Gemiddeld 4/5: vertrouwen in leidinggevende, voorstellen kunnen doen om het werk te verbeteren

3-4/5: goede communicatie met leidinggevende, oplossen van conflicten, aanmoediging tot nieuwe en betere manieren om het werk te doen, vertrouwen van leidinggevende in bekwaamheid van jeugdwerkers, zich vrij voelen om gevoelens te uiten of te zeggen wat we willen
2-3/5: mijn collega’s zijn als familie
2/5: ontmoediging, problemen tussen collega’s

Waardering
De jeugdwerkers beleven een sterk positieve waardering, in de eerste plaats van de direct betrokkenen, minder van externen. DG ervaart een iets hogere waardering, maar het verschil is klein. 

Vanwege de jongeren, vrijwilligers, directe collega’s, coördinator, bestuur, directie, andere jeugdwerkvormen, vrienden, ouders van jongeren, buurt : gemiddelden tussen 3 en 4 / 5

Vanwege gemeente, maatschappij/ publieke opinie, media: gemiddelden tussen 2 en 3 / 5

Tevredenheid met de werking: gemiddeld 7 – 8 /10
Tevredenheid met de organisatie: gemiddeld 7/10
Geen verschil tussen DG en NDG

Sociale cohesie (tussen collega’s)
Gemiddeld 4/5: Steun, communicatie, oprecht zijn, de kans geven om kwaliteiten uit te spelen, respect voor stijl en houding.

Geen verschil tussen DG en NDG

Relatie met de jongeren
DG beleeft de relatie iets positiever dan NDG (maar geen grote verschillen) 

Gemiddeld 3-4/5: Jongeren beschouwen mij als vriend, weten dat ze bij mij terecht kunnen, vertrouwen me, laten me toe in hun leefwereld, bouwen iets op met mij, hebben respect voor autoriteit, positieve interacties, rekening houden met hun voorstellen, mogelijkheid geven om act mee te bepalen, ik betrek familie- ouders- vrienden, ze staan open om bij te leren

Moeilijkheden
De jeugdwerkers worstelen vooral met de werkdruk en de flexibiliteit. De relatie met de overheid wordt ook als een uitdaging beschouwd, de eigen loopbaan iets minder.

Geen grote verschillen tussen DG en NDG
Gemiddeld 3 - 4 /5: Werkdruk, te weinig personeel, te veel flexibiliteit verwacht

3/5: te veel druk door de streefcijfers vanwege overheid, huidige beleid van overheid, gevoel dat de identiteit van de werking in het gedrang komt door de eisen van het overheidsbeleid, 
2 – 3 /5: te weinig zekerheid over job, te oud worden voor de job, onvoldoende kansen om door te groeien, deskundigheid te verwerven of opleiding te volgen, onvoldoende ondersteuning of begeleiding, te veel administratie, te weinig tijd voor jongeren
1-2: bedreigd voelen door de jongen

Houding ten opzichte van de organisatie
Gemiddeld 3 – 4/5: een sterke betrokkenheid bij de organisatie en haar doelgroep.
Geen verschil tussen DG en NDG

Dit is meer dan goedkope tijdsbesteding, wij voeren actie tegen wantoestanden, zorgen voor een aanvulling op opvoeding naast gezin en school. Als een vakbond voor de belangen van de jongeren in de maatschappij. Hier word je voor het leven gevormd, het is niet te vergelijken met een andere hobbyvereniging. Wij hebben duidelijke waarden, zijn minder gericht op administratie en werken meer samen met domeinen buiten het jeugdwerk. Onze eigen doelstellingen zijn belangrijker dan die van de overheid